Website vergroten/verkleinen: cltr-knop + scrollen


Draf




Gangen

Algemene feitenkennis omtrent de gangen, zoals snelheden, beenvolgorde, takt, paslengte enz.: Lees hier


terug naar boven

Algemeen

De draf is een gang met een tweetakt (twee tempi). Het paard beweegt zich voorwaarts door het opeenvolgend gelijktijdig neerzetten van het diagonale benenpaar (linksvoor met rechtsachter en omgekeerd), afgewisseld met een zweefmoment.

De volgende soorten draf worden onderscheiden:
de verzamelde draf,
de arbeidsdraf,
de middendraf
en de uitgestrekte draf.

De gemiddelde snelheid bedraagt: 200 m per minuut
Een drafpas is gemiddeld 1.30 cm.


Gang

arbeidstempo

verzameldtempo

middentempo

Draf

12,3 km p/u

6 km p/u

18 km p/u



Lichtrijden
Bij het lichtrijden laat je je iedere tweede pas wegvallen door licht op de beugels te steunen en gelijktijdig sluiten van de benen weer uit het zadel te laten verheffen.
Je zit alleen in het zadel op het moment dat het paard een diagonaal paar benen opbeurt. Al naar gelang je uit het zadel komt op het moment dat een bepaald voorbeen wordt opgetild spreekt men van het rijden op het rechter- linkerbeen.
In de rijbaan moet je uit het zadel komen op het ogenblik dat het buiten-voorbeen naar voren wordt gezet. Bij het veranderen van hand moet je dus ook een extra pas doorzitten , zodat je opnieuw op het correcte been lichtrijdt. Je kan aan de buitenschouder zien wanneer hij op het goede been lichtrijdt. Wanneer de buitenschouder voorwaarts beweegt, moet je rechtstaan, wanneer die achterwaarts beweegt, moet je zitten. Je kunt dan
draven op de linkerhand: rechterschouder (been) is voor als je staat
draven op de rechterhand: linkerschouder (been) is voor als je staat
Lees meer

Doorzitten
Doorzitten is de term die gebruikt wordt als je tijdens de draf zo stil mogelijk in het zadel blijft zitten terwijl je met soepele rug en heupen de beweging van de paardenrug volgt.
Meer weten ...........


Alle soorten draf

terug naar boven

Arbeidsdraf

De arbeidsdraf is een gang tussen de verzamelde draf en de middendraf. In deze drafgang dient een paard dat in zijn africhting nog niet klaar is voor de verzamelde bewegingen, zich in een goed evenwicht te tonen. Terwijl het paard in de hand gesteld blijft, beweegt het zich voorwaarts met gelijke en elastische passen, waarbij de achterhand heel actief blijft. De uitdrukking "actieve achterhand" betekent niet dat er verzameling in deze gang wordt gevraagd, maar onderstreept het belang van de impuls, die zorgt dat de achterhand tot stuwen en dragen komt.
De arbeidsdraf wordt ontwikkeld uit de natuurlijke draf van het jonge paard en ligt iets boven het tempo dat het paard uit zichzelf aanbiedt.


Lichtrijden rechterhand
Arbeidsdraf

Lichtrijden linkerhand
Arbeidsdraf

Doorzitten
Arbeidsdraf

Hulpen:
• drijvende hulpen van kuit en zit in takt met het ritme van het paard
• de kuiten drijven doordat ze aan het paardenlichaam rustig blijven liggen waardoor de beweging van de buik van het paard als aandrijven wordt ervaren.
• de teugels in lichte aanleuning om de drang naar voren vanuit de achterhand op te vangen


Hoe te leren:
• veel overgangen rijden om de achterhand te versterken waardoor je paard "bergop" kan gaan draven en om hem actief voorwaarts te houden
• veel buigingsarbeid om je paard recht te richten
• ondersteun je paard met correcte hulpen in het ritme van je paard om de juiste takt te handhaven
• houd je paard ook op de gebogen lijn actief voorwaarts en in takt


Fouten:
• stijve of gespannen draf: de rugspieren zijn niet elastisch maar blokkeren. De rug is hol en het hoofd wordt hoog gedragen terwijl de onderhals naar voren geduwd wordt. Deze gang is oncomfortabel voor paard en ruiter en kan het paard rugpijn en overbelaste gewrichten bezorgen.
Wordt veroorzaakt door onvoldoende warmlopen of stijfheid van de rug van de ruiter, vooral bij het doorzitten.
correctie: het hoofd diep en rond rijden en veel hals laten strekken vooral in een volte.
• paard loopt op de voorhand
Gebrek aan activiteit en te weinig gewicht op de achterbenen.
correctie: gebruik regelmatig een halve ophouding
• paard loopt scheef
Het paard ondervindt nog problemen met zijn natuurlijke scheefheid of is te gespannen. correctie: buigingsoefeningen zoals b.v. voltes, schouder-binnenwaarts en wijken. Veelvuldig zijn hals laten strekken vooral in de grote volte om zijn spanning kwijt te raken en balans te vinden.


terug naar boven

Middendraf

De middendraf is een gang tussen de arbeidsdraf en de uitgestrekte draf in. Het paard beweegt zich vrij voorwaarts en verlengt zijn passen zichtbaar, met een middelmatige verruiming en daarbij passende verlenging in de bovenlijn. Deze verruiming komt voort vanuit een duidelijke impuls met stuwende kracht vanuit de achterhand, waarbij het paard dezelfde houding heeft als in de arbeidsdraf. De ruiter staat het in de hand gestelde paard toe de hals iets te verlengen, waarbij het paard het hoofd wat meer voor de loodlijn houdt dan in de verzamelde draf en in de arbeidsdraf. De passen blijven regelmatig en de beweging is in evenwicht en ontspannen.

     

Hulpen
• rijd eerst een halve ophouding om het paard op de achterhand te brengen en attent te maken.
• licht nageven zodat het paard zijn hals iets langer kan maken waardoor het langer worden van de passen mogelijk wordt.
• Je blijft drijven en ondersteunt het drijven door middel van het aantrekken van het kruis zodat de drang naar voren vanuit de achterbenen bevorderd wordt.



Hoe te leren:
• Het paard moet goed aan de hulpen gaan met een correcte aanleuning zonder spanning.
• De middendraf moet je geleidelijk ontwikkelen. Het paard moet de gelegenheid krijgen om de toenemende buiging van de achterhand ontwikkelen. Vraag eerst korte stukjes middendraf.
• Zorg dat het paard eerst goed "gaat zitten" voordat je een paar passen middendraf vraagt. Rijd een halve ophouding ter voorbereiding van de middendraf op de diagonaal in de hoek voorafgaand aan de oefening.
• Oefen de middendraf eerst aan de lange zijde en dan op de diagonaal.


Fouten:
• verlies van takt
Je paard heeft nog niet voldoende balans en kracht of is te gespannen.
correctie: doe een stapje terug in je training en begin weer met overgangen rijden en buigingsarbeid, zoals voltes en schouder-binnenwaarts.
• achter wijd gaan lopen
Het ontbreekt het paard nog aan "losgelatenheid" en kracht.
correctie: doe een stapje terug in je africhting.
• het paard is op de voorhand
Wordt veroorzaakt door gebrek aan activiteit en te weinig gewicht op de achterbenen.
correctie: begin de oefening vooral met een halve ophouding en rijd eerst kort stukjes.
• het paard versneld zijn passen in plaats van te verlengen.
Het paard mist misschien nog voldoende stuwkracht vanuit de achterhand.
correctie: veelvuldig overgangen rijden tussen middendraf en verzamelde draf. Doe eerst korte stukjes middendraf.
• draf zonder zweefmoment: het paard stapt van het ene diagonale benenpaar naar het andere zonder dat alle benen van de grond zijn.
Wordt veroorzaakt doordat de activiteit niet echt vanuit de achterhand komt. De oprichting wordt dan bereikt door te veel gebruikt te maken van de handen en de bijzetteugels.
correctie: het paard mag miniem de hals strekken en laten dalen terwijl de balans gehandhaafd wordt, waardoor de rugspieren kunnen ontspannen en los worden

  
  taktfouten middendraf

terug naar boven

Verzamelde draf

Het in de hand gestelde paard beweegt zich met opgerichte en gewelfde hals voorwaarts. Deze halsvorm komt voort uit de achterhand, waarbij de spronggewrichten van het achterbeen gebogen onder de massa zijn gebracht en de impuls wordt onderhouden. Het paard maakt kortere en meer verheven passen dan in de andere drafgangen, en is lichter en beweeglijker. Het paard geeft de indruk zich steeds bergopwaarts te bewegen.

  

Hulpen
• rijd eerst een halve ophouding om het paard op de achterhand te brengen en attent te maken.
• blijf diep in het zadel zitten.
• werk iets terug met je teugels in samenwerking met een toename van drijvende kuit- en kruishulp.
• ga licht achterover zitten.
• houd licht contact met de teugels zodat je paard begrijpt dat hij niet sneller mag.
• houd hetzelfde tempo zodat de draf in plaats van naar voren meer verheven en actief wordt.


Hoe te leren
• Volte verkleinen en vergroten veelvuldig oefenen.
• Rijd tempowisselingen b.v. naar bijna-stap en rijd je paard daarna weer actief naar voren ook op een grote volte.
• Het moment van de bijna-stap ga je uitbreiden. Drijf daarbij met kruis en kuit actief tegen een terugwerkende hand.
• Oefen eerst kleine stukjes en breid dit uit om de spieren de gelegenheid te geven zich te vormen.
• Doe de eerste passen langs bakrand om gebruik te maken van de aanleuning en daardoor recht te blijven.


Fouten:
• taktfouten
correctie: onmiddelijk stoppen met de oefening en een stapje terug gaan in je training.
• verhoogde spanning bij het paard
correctie: vraag eerst niet teveel., het is een hele moeilijke oefening! Laat je paard tussendoor veel halsstrekken en vraag de oefening pas weer als je paard geheel ontspannen is.
• scheef gaan draven
Is vaak een gevolg van te veel spanning.
correctie: rijd eerst weer oefeningen die je paard goed kent om de drijvende hulpen te bevestigen en hem te ontspannen.
• niet op de achterhand zijn van het paard
correctie: rijd meer met kuit- en kruishulpen tegen een terugwerkende hand en niet andersom.
• het paard gaat langzamer draven.
correctie: meer drijvende hulpen met kuit- en kruishulp en actiever tegen de terugwerkende hand rijden.



terug naar boven

Uitgestrekte draf

In de uitgestrekte draf dekt het paard zoveel mogelijk terrein. Het paard beweegt zich vrij voorwaarts en verlengt zijn passen tot zijn maximale kunnen dankzij een zeer sterke impuls met stuwende kracht vanuit de achterhand, waarbij het in dezelfde takt en cadans blijft. De ruiter staat zijn in de hand gestelde paard toe hals en lichaam te verlengen en meer bodem te nemen. De voorvoeten komen neer op het punt waarnaar zij wijzen. De bewegingen van de voorbenen en de achterbenen zijn parallel. De gehele beweging is in evenwicht. De overgang naar de verzamelde draf is vloeiend, waarbij meer gewicht op de achterhand wordt genomen.

     

Hulpen
• Geleidelijk aan versterken van de hulpen van de middendraf.
• Omdat het paard sterk aan ruimte moet winnen, kun je het beste je handen wat lager stellen om het paard de gelegenheid te geven zich te strekken.


Hoe te leren
• Wanneer het paard de overgangen tussen verzamelde en middendraf op lichte hulpen kan uitvoeren, kun je beginnen met de uitgestrekte draf.
• Versterk geleidelijk aan de hulpen van de middendraf.
• Doe eerst korte stukje uitgesrekte draf.
• Rijd deze oefening niet zo vaak omdat hij dan schadelijk kan zijn voor de voor- en achterhand van het paard.


Fouten
• Het paard gooit zijn hoofd omhoog en is tegen de teugel.
correctie: Maak een duidelijk ophouding voor het begin van de oefening en vraag geleidelijk aan de verruiming. Begin met enkele passen en breid dat langzaam uit.
• Valse uitgestrekte draf: het paard strekt zijn voorbenen ver naar voren, waardoor de hoef overdreven omhoog komt. Het voorbeen moet weer iets terug naar achteren voordat het de grond kan raken. Dit ziet er wel spectaculair uit, maar is meestal een teken van stijfheid, spanning en verzet. Het paard belooft meer aan de voorkant dan dat het aan de achterkant waar maakt: de achterbenen stappen niet genoeg onder.
correctie: Maak een duidelijkere ophouding voordat je de oefening begint. Vraag niet te veel ineens en doe de oefening eerst korte stukjes.


terug naar boven

Verbeteren van de draf
Bron:
Dressuur met Kyra
Kyra Kyrklund
Jytte Lemkow

De draf kan het makkelijkst worden verbeterd. Probeer de beweging van de draf te vertragen en de uitdrukking te vergroten.

1. De overgangen van draf naar galop en andersom zijn goede oefeningen ter verbetering van de draf en de galop. Wanneer het paard een overgang maakt van de galop naar de draf moet het van een drietakt-gang overgaan in een viertakt-gang waardoor hij een kort moment in zijn beste draf draaft. Door dit vast te houden en uit te breiden verbeter je de kwaliteit van de draf. Het paard moet in de overgang zacht in de hand blijven en niet naar beneden duiken of het contact met het bit ontwijken. Deze overgangen vergroten ook de gevoeligheid van de ruiter waardoor hij de hulpen nauwkeuriger, minder zichtbaar en lichter kan geven wat er voor zorgt dat het paard beter gaat reageren op de hulpen.


2. Ga een passage rijden, die niet op Grand Prix-niveau gereden hoeft te zijn, waarin je vraagt het paard op je te "wachten" in een tamelijk langzaam tempo. Drijf hem daarna voorwaarts in ruimere indrukwekkender passen, maar in hetzelfde ritme. Het mag echter niet zo worden dat het paard zich gaat spannen en zich verzet tegen de drijvende hulpen. Het paard moet ontspannen blijven en het tempo van zijn draf vertragen in respons op het ritme van de zit- en teugelhulpen. Hij moet Schwung en takt behouden en licht in de hand blijven ook wanneer je hem voorwaarts drijft.


terug naar boven